Supermom-in-5-dagen of terug naar de basis?

basis

Soms betrap je jezelf op eigenaardigheden. Je staat op het schoolplein en vraagt aan een ouder: “Is jouw zoontje ook nog af en toe moe na school? ” Maar tegelijk denk je: Waarom vraag ik het eigenlijk? Het is misschien niet dat je op dat moment werkelijk interesse heb in het feit of haar zoontje moe is na school. Vaak geeft het slechts je eigen onzekerheid als ouder weer, want de achterliggende gedachte is  vooral gericht op de vraag of het wel gangbaar is dat je eigen kind nog moe is na school. 
En eigenlijk is ook dat niet nodig, want je weet best dat je kind nog zo klein is. Je weet best dat je je kind op basis van je eigen oordeel nog een middagje thuis kan laten als het te moe is en dat die vrijheid er niet voor niets is. Je knikt dan ook heftig wanneer de andere moeder dit allemaal opsomt. Maar toch knaagt altijd die onzekerheid. Doe ik het allemaal wel goed?

Wil je vooral de indruk bij anderen wekken dat jij het ontzettend goed voor elkaar hebt, zou je misschien sneller op internet gaan kijken. De mogelijkheden van het internet zijn immens. Je kan er je liefde vinden, je droombaan of adviezen over beiden en nog veel meer andere zaken. Het is allemaal zo gemakkelijk. De vraag is echter of het ook nodig is. En is het niet eerder een verarming dan een verrijking? Meer en minder deskundigen bieden zich via dit, maar ook andere kanalen, overal aan. Zij zullen jou wel even vertellen hoe het moet. Zij geven jou het gevoel dat je niet de enige bent en er ook niet alleen voor staat. Maar heb je dit wel nodig?

De B van behulpzaam of van betweter?

 Afgelopen week zat ik om de tafel met een vrouw die een onderneming heeft opgericht waarbij ze mensen coacht.  Ik vroeg hoe het ging met haar bedrijfje en het ging volgens haar redelijk, maar ze gaf tegen het einde van het gesprek toch aan vooral vriendinnen te coachen. Ze benadrukte, helemaal uit zichzelf dat dit absoluut niet ongelijkwaardig was. Ze kon dus prima inschatten wat ik op dat moment dacht. Ze vroeg hoe het met mij en mijn dochter ging. Toen ik enkele tegenslagen opsomde van de afgelopen jaren, greep zij direct de kans om mij van stevig opvoedkundig advies te voorzien, waarbij zij stellig aangaf dat als ik dat niet zou opvolgen dit nog wel zijn uitwerking zou hebben. 

De opvoedkundige oordelen en adviezen die je om de oren vliegen zowel in de media als in je privéleven zijn niet mals en hebben vaak een dwingend, veroordelend karakter. In het nieuws gaat het momenteel over gedwongen anticonceptie, komt je kind in het ziekenhuis terecht, observeren ze jouw houding als ouder nog grondiger dan je zieke kind en het kind zelf dient op allerlei fronten goed te presteren om maar niet buiten de boot te vallen. 

Tegelijk roept de overheid dat de ouders moeten varen op hun eigen kracht en dat kinderen passend onderwijs verdienen. Maar wat blijft er over van die eigen kracht, wanneer jouw ouderschap voortdurend onder een vergrootglas gelegd wordt? En passend onderwijs? Ik zie nog steeds vooral dat we passende kinderen op de wereld moeten zetten. Want anders zit het kind op den duur zonder onderwijs thuis. En ook dan wijst men met het vingertje toch naar de ouders. De onzekerheid van ouders is dus heel begrijpelijk. 

Laatst vroeg een moeder aan mij: “Mijn zoontje is 7 maanden. Mag ik hem een sneetje brood geven, want hij wil de fles niet meer?” Ik gaf haar het advies het gewoon uit te proberen en naar haar kind te kijken. “Kijk wanneer hij eraan toe is. En je kan hem ook groentenhapjes geven.” Dat antwoord was niet bevredigend, want ze kwam wel 4 keer terug om te vragen of ze het echt wel kon proberen. Want wie weet zou hij er wel in stikken? Ik zette haar op een stoel, legde mijn hand op haar schouder en zei: “Geloof me nou, jij weet prima wanneer jouw kindje toe is aan de boterham. Probeer het, gaat het niet? Dan wacht je een tijdje en probeer je het opnieuw. Wat is het ergste wat je kan overkomen?” Ze haalde haar schouders op. Twee weken later zag ik haar weer en vroeg ik hoe het was gegaan. Haar zoontje vond het brood maar niets, maar de gepureerde groentenhapjes gingen er goed in. Ze straalde van oor tot oor. Ik tilde de kleine man op. Een stevig kereltje met een gezond kleurtje op zijn toet. 

Haar onzekerheid was dus nergens voor nodig geweest. Maar eerlijk toegeven, ook ik  met al mijn pedagogische bagage vanuit mijn beroep, vroeg me bij de eerste vaak af of iets wel goed zou komen. Wanneer plast ze nou op de wc? Wanneer is de speen overbodig? Achteraf gezien kwam het allemaal vanzelf goed en met een tweede kind zou ik er vermoedelijk dan ook heel anders in staan. 

Naar de basis

Misschien moeten we terug naar de basis en niet zo bang zijn om fouten te maken. Mijn kleuter komt van school en zegt: “De juf zegt: van proberen kun je leren!” Dat zullen onze juffen ongetwijfeld ons ook verteld hebben vroeger. Je gezond boerenverstand gebruiken, zou mijn oma gezegd hebben. Hebben we ze wel nodig, al die coaches? Moeten we allemaal model-ouders worden? Functioneren als een robot?  Eén coach voor opvoeden, één voor arbeidsconflicten, één voor relaties, één voor je loopbaan.  Je kan bedenken dat mensen gaan coachen omdat er behoefte aan is.  Maar je kan het ook precies andersom benaderen: Hoe meer adviezen en voorlichting je krijgt, hoe meer prestatiedruk erop komt te liggen, hoe meer onzekere mensen en ja, tot slot ook hoe meer coaches. Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen het vak. Integendeel. Ik ben een voorstander wanneer het gaat om mensen die vast zijn gelopen, maar het eerst op eigen kracht geprobeerd hebben. 

Hoe denk jij hierover? Was je onzeker over je opvoedkwaliteiten en waardoor kwam dit? Deel het met ons!

 

1 reactie


  1. Natuurlijk. Welke moeder is niet onzeker? En helemaal als je kind zich anders blijkt te ontwikkelen dan “gemiddeld” (een gemiddeld kind bestaat niet eens). En bij de tweede ben je ook onzeker, weliswaar iets minder, maar dit kind is geen kopie van grote broer of zus, dus wat voor de eerste werkte, hoeft voor de tweede niet te werken. Mijn eerste is bijvoorbeeld redelijk meegaand, maar kan niet zichzelf vermaken. De tweede kan zichzelf heel goed vermaken, maar heeft een zeer sterke eigen wil. Dit geeft heel verschillende uitdagingen in de opvoeding.

    Ik heb ook hulp gezocht met de oudste. Hij is uitgebreid getest, omdat we steeds te horen kregen dat er iets met hem was. Hij was anders, als peuter al. Dat maakt je heel onzeker aks ouder. Ik ben blij dat we dat gedaan hebben, omdat we daardoor nu contacten hebben kunnen leggen met andere ouders met extreem intelligente kinderen. En dan kun je pas echt ervaringen delen die zinnig zijn.

    Beantwoorden

Reageer